“...en ware het niet van de Duitsers, het zou een
schone streek zijn”, lacht Lieven, terwijl hij zijn lege glas op tafel zet.
“Allez, Lieven niet overdrijven! Zo erg was het nu
toch ook niet? Ze waren toch vriendelijk?” zegt An gespeeld verontwaardigd.
“Nog iemand iets drinken?”
“Awel, voor mij nog een Leffe. Omdat je zo aandringt,
Anneke!” grapt Mark.
“Enfin, we zijn hier niet om over de wintersport te
praten of over den Duits te klagen. Wat gaan we dit jaar doen? Iemand een
idee?”
De eerste vergadering van de “Vlaamse Vrienden” van
het gezegende jaar 2017 was bij dezen geopend.
De “Vlaamse Vrienden” was een tiental jaren geleden,
op een niet al te nuchtere zaterdagavond op café, opgericht door Mark Van Steenkiste
en Lieven De Clerck.
“Lieven, heb je het gehoord, jong? De Vlaamse regering
geeft geld als je iets organiseert voor 11 juli. Je kan tot 250 euro krijgen.
Zou dat niets voor ons zijn? Daar kunnen we heel wat Leffes van kopen”.
En sindsdien hadden ze jaar na jaar de subsidie
opgevraagd, en effectief elk jaar iets georganiseerd. Elk jaar iets beter, elk
jaar iets groter. De verwachtingen van de dorpsbewoners waren dus opnieuw
hooggespannen…
Mark en Lieven, twee late dertigers, kennen elkaar al
zolang hun geheugen hen dat toeliet. Lieven is de zoon van de dorpsbakker,
groot (1 meter 95), blond maar al licht kalend op zijn kruin, en net iets te
zwaar voor zijn leeftijd en gestalte. Volgens Lieven het gevolg van het
sedentaire leven van zijn kantoorbaan. Maar wat zijn grote troef was, en wat
hem, ondanks zijn niet al te elegante postuur, toch gegeerd maakte bij het
vrouwelijke deel van de mensheid, waren zijn heldere lichtgroene ogen, waar je
zo doorheen kijkt. Mark is de zoon van de beenhouwer aan de kerk. In
tegenstelling tot Lieven wel afgetraind, 1 meter 85 en 72 kilo droog aan de
haak, en met een donkere, weelderige bos krulhaar en al even donkere ogen. Mark
en Lieven waren samen opgegroeid in dezelfde crèche bij juffrouw Jannie en haar
man Guust, twee Nederlanders die een jaar of twintig geleden in het dorp waren
komen wonen. Meneer Guust werkte toendertijd voor een Nederlandse uitgeverij
die een vestiging in de buurt van Ieper kwam opstarten. En om zich toch ook
maar wat bezig te houden was juffrouw Jannie een kinderopvang begonnen. In
Nederland had ze jarenlang als kleuterjuf gewerkt, dus leek een kinderopvang
haar een logische keuze. Alleen vonden een paar dorpsbewoners dat hun kinderen
na een tijdje in de crèche wel met een heel rare, schrapende G begonnen te
praten. Maar dat had waarschijnlijk meer met de West-Vlaamse koppigheid dan met
de realiteit te maken.
De crèche had een vrij ongewone naam voor een crèche:
“De Flaterfoon”. En op het raam aan de straatkant had juffrouw Jannie een heel
eigenaardig instrument geschilderd. Mark en Lieven hadden, toen ze nog klein
waren, nooit bij die naam stilgestaan. “De Flaterfoon”, voor hen klonk dat even
goed als bijvoorbeeld “Pippeloentje”, “De Olifantjes” of “Pinokkio”. Het was
pas toen ze ouder waren en ze strips van Guust Flater begonnen te lezen, dat ze
de fijne humor achter de naamgeving doorhadden. Sindsdien was hun achting voor
juffrouw Jannie van de crèche en haar man Guust alleen maar gestegen.
Het werd dus een crèche voor Mark en Lieven, want hun
ouders hadden het overdag veel te druk met hun winkels. Zeker met de opkomst
van de grote Colruyts en Aldis van deze wereld was het leven er niet
gemakkelijker op geworden voor de kleine zelfstandigen. En ondertussen nog op
kinderen passen was een beetje van het goede te veel. Dus werd het de crèche...
En na de crèche de lagere school in het centrum, naast
de kerk. We schrijven begin de jaren ’80 en het leven was mooi. In hun
herinneringen waren de zomers toen altijd zonnig, en de winters altijd koud. De
ozonlaag was nog geen item, en er was er dus ook nog geen klimaatopwarming.
MP3s heetten toen nog gewoon LP’s en singles, een telefoon had nog een
draaischijf en hing met een draad in de muur. Televisie beperkte zich tot de
BRT en de buurlanden, waarbij de antenne in de juiste richting moest gedraaid
worden, en de afstandsbediening waren de kinderen, die uit de zetel moesten
rechtstaan om aan het toestel zelf het kanaal te veranderen of het volume te
regelen. En Bart Peeters… die was enkel bekend van Bart Bannings.
Ook naar school gaan was nog anders. De klassen waren
nog niet gemengd. De jongensschool was naast de kerk, de meisjesschool bij het
klooster. De jongens kregen les van meesters, de meisjes van de nonnetjes. Pas
jaren later, begin de jaren negentig, toen het laatste nonnetje ongemerkt haar
plaats hierboven ging innemen, werden de twee schooltjes samengevoegd. Maar dat
was al een hele tijd nadat Lieven en Mark hun lagere schoolcarrière hadden
beëindigd.
De lagere school was ook het begin van hun gezamenlijke
liefde voor sport. Meester Jan van het vierde studiejaar was trainer van de
plaatselijke pre-miniemen, en elk jaar kon hij een aantal ouders overtuigen om
hun kinderen naar “de voetbal” te sturen. En zo gebeurde het ook met Mark en
Lieven. Elke week samen trainen, elke week samen wedstrijdje spelen, elke week
dolle pret, of ze nu wonnen of verloren. Maar ook onder de basketring op het
speelpleintje naast het parochiecentrum zag je hen dikwijls sparren. Zelfs
gewone verplaatsingen, of het nu naar school of naar een winkel was, werden
wedstrijdjes, zowel rennend als op de fiets. En aan het begin van de zomer,
simultaan met de echte ronde, organiseerden ze lokale Tour de Franceritten,
inclusief gele, groene en bolletjestruien. Dit tot grote frustratie van Lieven
zijn moeder, die elk jaar één van de witte T-shirts van zoonlief met een rode
viltstift bewerkt zag worden.
Mark en Lieven, hun namen werden altijd samen genoemd.
Zag je Mark, dan zag je ook Lieven. Waar dan ook. Niet alleen bij het sporten,
maar ook op de Chiro, op school, op het speelplein. Ja, zelfs bij de kruidenier
om de hoek of in de post. Als je de ene tegen een boom zag plassen, dan stond
de andere er gegarandeerd naast! En in de vakantieperiodes was het eerder regel
dan uitzondering dat de ene bij de andere bleef slapen, hoewel ze amper op 100
meter van elkaar vandaan woonden. Om maar te zeggen hoe close ze wel waren.
Maar toen kwam de middelbare school en gingen hun
wegen uiteen. Mark moest, als zoon uit een ultraliberaal nest, naar het
atheneum van Ieper. Lieven werd op internaat gestoken op het Jezuïetencollege
van Turnhout, meer dan 100
kilometer van het thuisfront. “Een goeie Vlaamse
katholieke opleiding zal je goed doen, jongen”, had zijn vader indertijd
gezegd, “en een beetje ver van huis is ook nooit slecht”. Wat zijn vader
daarmee eigenlijk bedoelde was dat het hen, kleine zelfstandigen, goed zou
uitkomen met het werk in de bakkerij mocht Lieven niet elke dag naar huis
komen.
Mark had de tijd van zijn leven aan het atheneum, in de
jaren ’80 zowat het enige leersysteem waar je toendertijd eigenlijk zelf kon
kiezen wat je wilde studeren. De leerplannen waren veel flexibeler dan op het
college. Een gemengde school ook, met niet alleen maar jongens en meisjes, maar
ook met jongeren van verschillende nationaliteiten en godsdiensten, die het
vrijzinnige atheneum verkozen boven het katholieke onderwijs, waar ze elke
ochtend een gebedje ter ere van Onze-Lieve-Heer moesten afdrammen zonder er
zelfs maar bij stil te staan wat ze eigenlijk aan het prevelen waren. En
natuurlijk veel vrijheid. Over de middag “naar buiten gaan” werd niet als
spijbelen gezien, maar als “het ontdekken van de wereld buiten de schoolmuren”.
En dat ontdekken werd door Mark heel ruim en letterlijk geïnterpreteerd. In het
eerste middelbaar rookte hij zijn eerste sigaretje, op zijn dertiende dronk hij
zijn eerste pint in het café aan het station, en op zijn veertiende gaf hij
zijn eerste voorzichtige kus.
Bij Lieven liep het anders. Elke ochtend naar de mis,
voor elke les een gebedje, absoluut uitgaansverbod, en vooral: elke twee weken
een weekend in het internaat. Turnhout was ver en de treintickets waren te duur
om die elke week te kunnen betalen. Althans, dat was hem thuis zo verteld.
En zo kwam het dat Lieven en Mark elkaar stilaan uit
het oog verloren. Lieven kwam niet meer naar het voetbal, want hij kon tijdens
de week niet trainen. Mark kwam ook niet meer naar het voetbal, want hij bleef
tijdens diezelfde week veel te lang hangen in de stationsbuurt van Ieper. Maar
ook in de weekends dat Lieven thuis was, verwaterde het contact. Mark had
ondertussen nieuwe vrienden en daartussen was geen plaats voor Lieven. Hij had
het een paar keer geprobeerd, daar niet van. Zo was hij ook al eens blijven
plakken op het stationsplein, maar een groot succes was dat niet. Veel te veel
lawaai, veel te uitbundig en veel te veel drank. En tijdens het weekend
probeerde hij al eens een fuifje uit, maar ook daar voelde hij zich niet echt
welkom. Het was niet zo dat Mark hem niet bij de groep wilde betrekken, hoor!
Integendeel, hij sleurde Lieven mee op de dansvloer, hij stelde Lieven voor aan
enkele jonge deernes, hij daagde Lieven uit voor een wedstrijdje ad fundum.
Allemaal met de beste bedoelingen. Maar het was Lieven zijn ding niet. Helemaal
zijn ding niet…
Hun levens hadden duidelijk twee verschillende sporen
genomen. Voor Mark kon het niet avontuurlijk en uitdagend genoeg zijn, Lieven
deed alles liever wat rustiger en meer gedisciplineerd. Zo leerde hij het ook
op school. Voor Lieven was Mark duidelijk een beetje te losbandig en te
onverantwoordelijk geworden, en daar voelde hij zich heel ongemakkelijk bij.
Nee, Mark zijn nieuwe omgeving was niet direct Lieven zijn ding. En andere
vrienden had hij niet in het dorp. De weekends waren trouwens ook te kort en te
onregelmatig om daar een nieuwe vriendenkring uit te bouwen. In Turnhout voelde
hij zich ondertussen prima bij zijn nieuwe kameraden. Zo nu en dan moest Lieven
zelfs toegeven dat hij er naar uitkeek om tijdens het weekend gewoon op het
internaat te kunnen blijven.
En zo ging de eerste helft van
de jaren ’90 voorbij zonder dat Mark en Lieven nog veel contact met elkaar
hadden.