vrijdag 27 september 2019

Mark en Lieven

“...en ware het niet van de Duitsers, het zou een schone streek zijn”, lacht Lieven, terwijl hij zijn lege glas op tafel zet.
“Allez, Lieven niet overdrijven! Zo erg was het nu toch ook niet? Ze waren toch vriendelijk?” zegt An gespeeld verontwaardigd. “Nog iemand iets drinken?”
“Awel, voor mij nog een Leffe. Omdat je zo aandringt, Anneke!” grapt Mark.
“Enfin, we zijn hier niet om over de wintersport te praten of over den Duits te klagen. Wat gaan we dit jaar doen? Iemand een idee?”
De eerste vergadering van de “Vlaamse Vrienden” van het gezegende jaar 2017 was bij dezen geopend.

De “Vlaamse Vrienden” was een tiental jaren geleden, op een niet al te nuchtere zaterdagavond op café, opgericht door Mark Van Steenkiste en Lieven De Clerck.
“Lieven, heb je het gehoord, jong? De Vlaamse regering geeft geld als je iets organiseert voor 11 juli. Je kan tot 250 euro krijgen. Zou dat niets voor ons zijn? Daar kunnen we heel wat Leffes van kopen”.
En sindsdien hadden ze jaar na jaar de subsidie opgevraagd, en effectief elk jaar iets georganiseerd. Elk jaar iets beter, elk jaar iets groter. De verwachtingen van de dorpsbewoners waren dus opnieuw hooggespannen…

Mark en Lieven, twee late dertigers, kennen elkaar al zolang hun geheugen hen dat toeliet. Lieven is de zoon van de dorpsbakker, groot (1 meter 95), blond maar al licht kalend op zijn kruin, en net iets te zwaar voor zijn leeftijd en gestalte. Volgens Lieven het gevolg van het sedentaire leven van zijn kantoorbaan. Maar wat zijn grote troef was, en wat hem, ondanks zijn niet al te elegante postuur, toch gegeerd maakte bij het vrouwelijke deel van de mensheid, waren zijn heldere lichtgroene ogen, waar je zo doorheen kijkt. Mark is de zoon van de beenhouwer aan de kerk. In tegenstelling tot Lieven wel afgetraind, 1 meter 85 en 72 kilo droog aan de haak, en met een donkere, weelderige bos krulhaar en al even donkere ogen. Mark en Lieven waren samen opgegroeid in dezelfde crèche bij juffrouw Jannie en haar man Guust, twee Nederlanders die een jaar of twintig geleden in het dorp waren komen wonen. Meneer Guust werkte toendertijd voor een Nederlandse uitgeverij die een vestiging in de buurt van Ieper kwam opstarten. En om zich toch ook maar wat bezig te houden was juffrouw Jannie een kinderopvang begonnen. In Nederland had ze jarenlang als kleuterjuf gewerkt, dus leek een kinderopvang haar een logische keuze. Alleen vonden een paar dorpsbewoners dat hun kinderen na een tijdje in de crèche wel met een heel rare, schrapende G begonnen te praten. Maar dat had waarschijnlijk meer met de West-Vlaamse koppigheid dan met de realiteit te maken.
De crèche had een vrij ongewone naam voor een crèche: “De Flaterfoon”. En op het raam aan de straatkant had juffrouw Jannie een heel eigenaardig instrument geschilderd. Mark en Lieven hadden, toen ze nog klein waren, nooit bij die naam stilgestaan. “De Flaterfoon”, voor hen klonk dat even goed als bijvoorbeeld “Pippeloentje”, “De Olifantjes” of “Pinokkio”. Het was pas toen ze ouder waren en ze strips van Guust Flater begonnen te lezen, dat ze de fijne humor achter de naamgeving doorhadden. Sindsdien was hun achting voor juffrouw Jannie van de crèche en haar man Guust alleen maar gestegen.

Het werd dus een crèche voor Mark en Lieven, want hun ouders hadden het overdag veel te druk met hun winkels. Zeker met de opkomst van de grote Colruyts en Aldis van deze wereld was het leven er niet gemakkelijker op geworden voor de kleine zelfstandigen. En ondertussen nog op kinderen passen was een beetje van het goede te veel. Dus werd het de crèche...
En na de crèche de lagere school in het centrum, naast de kerk. We schrijven begin de jaren ’80 en het leven was mooi. In hun herinneringen waren de zomers toen altijd zonnig, en de winters altijd koud. De ozonlaag was nog geen item, en er was er dus ook nog geen klimaatopwarming. MP3s heetten toen nog gewoon LP’s en singles, een telefoon had nog een draaischijf en hing met een draad in de muur. Televisie beperkte zich tot de BRT en de buurlanden, waarbij de antenne in de juiste richting moest gedraaid worden, en de afstandsbediening waren de kinderen, die uit de zetel moesten rechtstaan om aan het toestel zelf het kanaal te veranderen of het volume te regelen. En Bart Peeters… die was enkel bekend van Bart Bannings.
Ook naar school gaan was nog anders. De klassen waren nog niet gemengd. De jongensschool was naast de kerk, de meisjesschool bij het klooster. De jongens kregen les van meesters, de meisjes van de nonnetjes. Pas jaren later, begin de jaren negentig, toen het laatste nonnetje ongemerkt haar plaats hierboven ging innemen, werden de twee schooltjes samengevoegd. Maar dat was al een hele tijd nadat Lieven en Mark hun lagere schoolcarrière hadden beëindigd.

De lagere school was ook het begin van hun gezamenlijke liefde voor sport. Meester Jan van het vierde studiejaar was trainer van de plaatselijke pre-miniemen, en elk jaar kon hij een aantal ouders overtuigen om hun kinderen naar “de voetbal” te sturen. En zo gebeurde het ook met Mark en Lieven. Elke week samen trainen, elke week samen wedstrijdje spelen, elke week dolle pret, of ze nu wonnen of verloren. Maar ook onder de basketring op het speelpleintje naast het parochiecentrum zag je hen dikwijls sparren. Zelfs gewone verplaatsingen, of het nu naar school of naar een winkel was, werden wedstrijdjes, zowel rennend als op de fiets. En aan het begin van de zomer, simultaan met de echte ronde, organiseerden ze lokale Tour de Franceritten, inclusief gele, groene en bolletjestruien. Dit tot grote frustratie van Lieven zijn moeder, die elk jaar één van de witte T-shirts van zoonlief met een rode viltstift bewerkt zag worden.

Mark en Lieven, hun namen werden altijd samen genoemd. Zag je Mark, dan zag je ook Lieven. Waar dan ook. Niet alleen bij het sporten, maar ook op de Chiro, op school, op het speelplein. Ja, zelfs bij de kruidenier om de hoek of in de post. Als je de ene tegen een boom zag plassen, dan stond de andere er gegarandeerd naast! En in de vakantieperiodes was het eerder regel dan uitzondering dat de ene bij de andere bleef slapen, hoewel ze amper op 100 meter van elkaar vandaan woonden. Om maar te zeggen hoe close ze wel waren.

Maar toen kwam de middelbare school en gingen hun wegen uiteen. Mark moest, als zoon uit een ultraliberaal nest, naar het atheneum van Ieper. Lieven werd op internaat gestoken op het Jezuïetencollege van Turnhout, meer dan 100 kilometer van het thuisfront. “Een goeie Vlaamse katholieke opleiding zal je goed doen, jongen”, had zijn vader indertijd gezegd, “en een beetje ver van huis is ook nooit slecht”. Wat zijn vader daarmee eigenlijk bedoelde was dat het hen, kleine zelfstandigen, goed zou uitkomen met het werk in de bakkerij mocht Lieven niet elke dag naar huis komen.

Mark had de tijd van zijn leven aan het atheneum, in de jaren ’80 zowat het enige leersysteem waar je toendertijd eigenlijk zelf kon kiezen wat je wilde studeren. De leerplannen waren veel flexibeler dan op het college. Een gemengde school ook, met niet alleen maar jongens en meisjes, maar ook met jongeren van verschillende nationaliteiten en godsdiensten, die het vrijzinnige atheneum verkozen boven het katholieke onderwijs, waar ze elke ochtend een gebedje ter ere van Onze-Lieve-Heer moesten afdrammen zonder er zelfs maar bij stil te staan wat ze eigenlijk aan het prevelen waren. En natuurlijk veel vrijheid. Over de middag “naar buiten gaan” werd niet als spijbelen gezien, maar als “het ontdekken van de wereld buiten de schoolmuren”. En dat ontdekken werd door Mark heel ruim en letterlijk geïnterpreteerd. In het eerste middelbaar rookte hij zijn eerste sigaretje, op zijn dertiende dronk hij zijn eerste pint in het café aan het station, en op zijn veertiende gaf hij zijn eerste voorzichtige kus.

Bij Lieven liep het anders. Elke ochtend naar de mis, voor elke les een gebedje, absoluut uitgaansverbod, en vooral: elke twee weken een weekend in het internaat. Turnhout was ver en de treintickets waren te duur om die elke week te kunnen betalen. Althans, dat was hem thuis zo verteld.

En zo kwam het dat Lieven en Mark elkaar stilaan uit het oog verloren. Lieven kwam niet meer naar het voetbal, want hij kon tijdens de week niet trainen. Mark kwam ook niet meer naar het voetbal, want hij bleef tijdens diezelfde week veel te lang hangen in de stationsbuurt van Ieper. Maar ook in de weekends dat Lieven thuis was, verwaterde het contact. Mark had ondertussen nieuwe vrienden en daartussen was geen plaats voor Lieven. Hij had het een paar keer geprobeerd, daar niet van. Zo was hij ook al eens blijven plakken op het stationsplein, maar een groot succes was dat niet. Veel te veel lawaai, veel te uitbundig en veel te veel drank. En tijdens het weekend probeerde hij al eens een fuifje uit, maar ook daar voelde hij zich niet echt welkom. Het was niet zo dat Mark hem niet bij de groep wilde betrekken, hoor! Integendeel, hij sleurde Lieven mee op de dansvloer, hij stelde Lieven voor aan enkele jonge deernes, hij daagde Lieven uit voor een wedstrijdje ad fundum. Allemaal met de beste bedoelingen. Maar het was Lieven zijn ding niet. Helemaal zijn ding niet…

Hun levens hadden duidelijk twee verschillende sporen genomen. Voor Mark kon het niet avontuurlijk en uitdagend genoeg zijn, Lieven deed alles liever wat rustiger en meer gedisciplineerd. Zo leerde hij het ook op school. Voor Lieven was Mark duidelijk een beetje te losbandig en te onverantwoordelijk geworden, en daar voelde hij zich heel ongemakkelijk bij. Nee, Mark zijn nieuwe omgeving was niet direct Lieven zijn ding. En andere vrienden had hij niet in het dorp. De weekends waren trouwens ook te kort en te onregelmatig om daar een nieuwe vriendenkring uit te bouwen. In Turnhout voelde hij zich ondertussen prima bij zijn nieuwe kameraden. Zo nu en dan moest Lieven zelfs toegeven dat hij er naar uitkeek om tijdens het weekend gewoon op het internaat te kunnen blijven.

En zo ging de eerste helft van de jaren ’90 voorbij zonder dat Mark en Lieven nog veel contact met elkaar hadden.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten