Zotte André. Zo noemden sommigen hem, hier in het
dorp. Maar André was waarschijnlijk niet zijn echte naam, en zot was hij
allerminst. Meestal was hij thuis of ergens in de buurt. Maar soms verdween hij
voor weken of maanden, zonder dat iemand ooit wist waar hij was. Nooit vertelde
hij achteraf wáár hij was geweest of wat hij had gedaan. Niemand in het dorp
vroeg er ook naar. André was onderdeel van het dorpsdecor, hij wás er gewoon.
Niemand weet precies wanneer
André in het dorp was komen wonen. Maar het moet ergens kort na de Tweede
Wereldoorlog geweest zijn. Vroeger kan niet, want dan zou hij in de registers
van de bezetter gestaan hebben. Veel later kan ook niet, want tegen 1950 was
het dorp, en zijn sociaal controlesysteem, al weer zodanig hersteld dat er
zeker iemand de komst van André zou opgemerkt hebben.
Zich ongemerkt in ons dorp komen
vestigen kon alleen -en zou nu trouwens nog altijd alleen maar kunnen- in
tijden van verwarring en ontheemding. Zoals in de periode net na de Tweede
Wereldoorlog, een periode waarin het dorp overspoeld werd door vluchtelingen
die elk terug naar hun eigen kant van de grens wilden, op zoek naar hun familie
en hun verleden. Alleen in zulke periode kan iemand zich vrij anoniem bewegen,
in ons dorp.
Het was dus pas een paar jaren
na de Tweede Wereldoorlog dat de dorpsbewoners zich eindelijk bewust waren van
de paar vluchtelingen die niet verder waren gegaan, maar die waren blijven
plakken in de buurt van “de schreve”, zoals de grens tussen Vlaanderen en Frans
Vlaanderen in deze streek wordt genoemd. Zo was er de Amerikaanse soldaat David
Goldberg, die op één of andere manier in ons dorp beland was, en die na de
oorlog had beslist dat hij bij Simonneke van de beenhouwer moest blijven. Er
was ook Yvonne Duchateau, die samen met haar twee kinderen vanuit Frankrijk
over de Leie was gevlucht en opgevangen werd door pastoor Lesage. En aangezien
Yvonne na de oorlog dan al een paar jaar werkte voor meneer pastoor, vond die
laatste dat hij haar niet kon terugsturen naar Frankrijk. Dus bleven Yvonne en
haar ondertussen drie kinderen ook in het dorp wonen. Het derde kind, een zoon,
werd op 14 februari, een maand of acht na haar aankomst in het dorp, geboren.
Volgens een aantal boze tongen –vooral sossen- zag het kindje er toch een
beetje prematuur uit met zijn 45
cm en amper twee en een halve kilo. Maar volgens de
pastoor kwam dat door de ondervoeding van de moeder tijdens de zwangerschap en
was het kindje wel degelijk negen maanden voldragen. Hij kreeg de naam
Valentijn.
En dan was er dus André. Van
alle andere inwijkelingen wisten de inwoners van het dorp heel goed, of
tenminste min of meer, waar die vandaan kwamen. Maar niet van André. André was
er ineens gewoon. En als de mensen heel hard nadachten, dan beseften ze dat hij
er eigenlijk al een hele tijd ‘gewoon’ was. Hij zat soms in de kerk, men zag
hem soms in de winkel, hij ging soms naar de kermis,...
En niemand die hem ook maar
vroeg waar hij zo ineens vandaan was gekomen. Eén keer had de veldwachter het
geprobeerd. Waarop André antwoordde: “Zo ineens? Hoe bedoel je, zo ineens? Ik
woon hier toch al een hele tijd?”.
Waarna hij rustig weer verder
stapte.
Sindsdien vroeg er ook niemand
meer waar hij vandaag kwam. Hij was er, en dat was genoeg.
Hoe anoniem André zich ook
door het dorp bewoog, toch viel hij op een bepaalde manier op. Hij was altijd
heel correct gekleed. Hij droeg een vlinderdasje onder zijn maatpak, zijn
schoenen glansden onder zijn stijfgestreken broek, en zijn haren bleven netjes
in een bles door een perfect afgemeten portie brillantine. Een fijn snorretje
maakte het geheel compleet.
Als hij naar buiten ging, was
dat nooit zonder zijn wandelstok en zijn Borsalino. Zomer of winter, weer of
geen weer, altijd dezelfde look. En door die look was het ook heel moeilijk om
een leeftijd op André te plakken. De ene schatte hem ergens eind de 20, anderen
dachten eerder richting 40. Wat meteen stof tot discussie was onder de “oude
vrijsters” van het dorp.
Niemand die ook wist wat André
deed. Had hij een beroep? Dat zal wel, anders kon hij zich zijn look niet
veroorloven. Of zat hij in louche zaken? Maar dat zou de veldwachter dan toch
wel weten. Een grote erfenis misschien? Kon ook. Niemand die het wist. Het
enige wat iedereen wel wist, is dat André zo nu en dan weg was. Soms zag je hem
niet voor een week, soms niet voor een maand, soms langer. En net als je dacht
dat hij deze keer niet zou terugkomen, was hij daar ineens weer, zonder iets te
zeggen, zonder te vertellen waar hij was geweest of waar hij vandaan kwam.
Tijdens mijn speurtocht naar
de achtergrond vàn, én tijdens mijn contacten mét André, valt er iets heel
eigenaardigs op dat ik met u, beste lezer, wil delen. Het is misschien maar een
detail, maar voor zover ik kon achterhalen heeft André zélf nog nooit zijn
eigen voornaam gebruikt. Hij stelt zichzelf altijd voor als Van Eeghem. Maar
nooit voegt hij daar zijn voornaam aan toe. Uiteraard zullen sommigen in het
dorp wel weten hoe hij écht heet. Sonja op de dienst bevolking van de gemeente,
of Jos de facteur die zijn correspondentie onder ogen krijgt, en natuurlijk ook
Oscar, de ex-voorzitter van de VU, de VolksUnie. Maar niemand anders heeft ooit
de moeite gedaan om zijn echte naam te achterhalen. De meesten hebben er nooit
bij stil gestaan dat André misschien niet écht André heette. Dus waarom zouden
ze er dan op zoek naar gaan? Net zoals ik Jan heet, en er is niemand die daar
aan twijfelt, of het zelfs maar in vraag stelt. Iedereen gaat er van uit dat
het zo is omdat iedereen mij zo noemt. En dat is hetzelfde bij André. Iedereen
kent hem als André, dus André zal het blijven. Of het nu zijn echte naam is of
niet. Of zijn moeder hem die naam gegeven heeft of niet. Of als hij die naam
eerder bij zijn aankomst in het dorp had gekregen van iemand die in het wilde
weg had gezegd: “Ha, daar nog nen André, se”. In de tijd van de verwarring was
dat namelijk de gangbare verwijzing naar de nog naamloze inwijkelingen die ons
dorp –al dan niet tijdelijk- bevolkten: ‘nen André’. Een beetje de
Zuidwestvlaamse versie van het Amerikaanse “John Doe”.
Ik moet eerlijk bekennen dat
ik ook niet echt op zoek ben gegaan naar zijn ware naam. Ik heb één schuchtere
poging ondernomen en eens gepiept op zijn deurbel. Maar die is al even anoniem
als André zélf: “A. Van Eeghem”. Dus misschien André, maar misschien ook niet.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten