“Je t’aime…”
“Moi non plus!”
“Kindje maken?”
“Ach, zotteke!”
In de tent op het dorpsplein zijn de feestvierders net
aan het slowen wanneer het lijk wordt gevonden. Als bij toeval. Twee jonge
meisjes die in het geniep een sigaretje willen opsteken in het portaal van de
kerk, merken in de gloed van het vlammetje van hun aansteker het bebloede
lichaam op de trappen van de kerk op. Een ijzingwekkende schreeuw en een
volkstoeloop...
Het lichaam ligt gekronkeld en gebroken op de treden
van de kerk, het gezicht van de man vertrokken, de ogen nog wijd open en gevuld
met afschuw, alsof hij net voor zijn dood de duivel zélf recht in de ogen heeft
gekeken. De armen zijn op de rug gebonden, de onderbenen net onder de knieën
gebroken, en in een rare hoek onder de bovenbenen terechtgekomen. Het hemd van
de levenloze man is brutaal opengescheurd en in de borstkas is een grote,
bloedende swastika gekerfd, tot diep in het lichaam. De lichte motregen die
anderhalf uur eerder is beginnen te vallen en wat verkoeling bracht na een
bloedhete 11de juli, vergezelt het bloed ondertussen in een rood
riviertje dat tussen de kasseien van het kerkplein stilaan zijn bedding begint
te vinden. In de mond van het slachtoffer een geel stukje stof.
“Iedereen achteruit”, snauwt de rechercheur het
ondertussen massaal toegestroomde publiek toe, terwijl hij het bekende
blauwwitte lint rond de plaats delict aanbrengt, daarbij gebruikmakend van de
deurklinken van de kerk, en de aangeplante boompjes die het kerkplein nog maar
recent sieren.
“Hmm. Wij
moeten ons werk doen”, valt zijn collega hem bij. “Veel zal er nu toch niet
meer gefeest worden, vrees ik. Dus ga maar allemaal naar huis. Trouwens, het is
al na middernacht, 11 juli is voorbij”.
“En zet die muziek stil in die tent”, brult zijn
collega boven de speakers uit. “Wat een lawaai, jongens! En trouwens, dit is
geen moment om nog te slowen en elkaars lichamen te betasten, of nog erger, om
te staan muilen en plein public. Het feestje is afgelopen. Zet die plaat af!”
De twee rechercheurs trekken hun latex handschoenen
aan en knielen bij het bebloede lijk. Terwijl nummer 1 zijn sigaar uitdrukt op
de stoepstenen –kwestie van het “bewijsmateriaal” niet te contamineren-, haalt
nummer twee een plastic zakje en een pincet uit zijn tas.
“Hmm. Dit ziet er niet fraai uit”.
“Die is duidelijk niet per ongeluk aan zijn einde
gekomen”, vult nummer twee aan.
“Hmm. Het heeft veel weg van een rituele moord”.
“Extreem rechts, het zou me niets verbazen. Die
swastika liegt er niet om”.
“Maar waarom? En vooral, waarom hij?”
“Mocht ik dat weten, we zouden hier niet staan, hé”.
“Hmm”.
Nummer twee buigt zich naar het hoofd toe, neemt het
gele stukje stof met zijn pincet van tussen de ondertussen al half opgesteven
kaken van het slachtoffer, legt het op het plastic zakje en vouwt het heel
voorzichtig open.
“Een Jodenster. Kan het nog duidelijker?”
“Hmm. Nee, niet
echt. Maar waarom moet je iemand zo toetakelen als je hem vermoordt? Een
simpele steek met een scherp voorwerp doet de job toch ook? Ik vraag me echt af
waarmee hij omgebracht is. Een mes lijkt me onwaarschijnlijk. Of het zou al een
heel bot moeten geweest zijn. Kijk maar naar de randen van de wonde. Die is
niet met een mooi fileermes van bij de slager opengesneden. Het vel lijk echt
opengereten met iets bots. Waarschijnlijk zag de buik van een mammoet er zo uit
toen de holbewoners indertijd hun prooi opensneden met hun stenen werktuigen”.
“Zelfs de wonde toe drukken om het bloeden te stoppen
had hier niet geholpen. Het bloed zou er sowieso tussengegutst zijn. Dit
overleef je niet. Het was echt wel de bedoeling om te doden. Mét voorbedachte
rade”.
“ Hmm, nog maar eens een spelletje ‘Cluedo’. Het lijk
hebben we al. Maar wie is de moordenaar, en wat is het moordwapen?”
“Ik ben de moordenaar en dit is het moordwapen”,
klinkt het ineens achter hun rug.
De twee rechercheurs draaien zich om…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten