vrijdag 30 augustus 2019

Marie


 20 december 1917. Winter aan het front. De ‘Groote Oorlog’ zit al jarenlang muurvast. De opmars van het Duitse leger, dat België in augustus 1914 was binnengevallen, was sinds de Slag bij Ieper in november van dat jaar afgestopt en vastgelopen. En zo ontstond er een stellingenoorlog, waarin beide partijen zich ingroeven om jarenlang te vechten voor enkele meters vijandelijke grond. Eind 1916, na 2,5 jaar oorlog, wilden de Duitsers vredesonderhandelingen opstarten, maar die werden door Frankrijk en Engeland afgewezen.

En nu is het ondertussen 20 december van het gezegende jaar 1917. Er wordt geen meter opgeschoven. Hier en daar een bombardement of een ontploffende mijn, zo nu en dan een wanhoopsdaad van een regiment. Drie jaar oorlog heeft duidelijk zijn tol geëist. Niet alleen in de levens en de hoofden van de mensen, ook in het uitzicht van de streek. Het landschap is herschapen in een puinhoop. De ooit zo mooi glooiende heuvels die de grensstreek tussen België en Frankrijk bepalen, dragen de littekens van de vele bombardementen en worden als door snijwonden uiteengereten door de vele loopgraven aan beide kanten van het front. Bomen en struiken zijn neergehaald ter versterking van de stellingen, of zijn gesneuveld door het zware geschut en liggen er nu bij als gevallen soldaten. De meeste huizen staan nog recht, maar zijn allang verlaten wegens het grote gevaar voor eigen leven van de bewoners.

Ook aan het front zélf is de moraal ver zoek. De loopgraven zijn koud en smerig, ratten verspreiden epidemieën, soldaten zijn ziek. Van de kou, maar ook van heimwee naar hun huis, hun familie. Elk jaar rond kerstmis is het wat kalmer aan het front, en dan is er -te veel- tijd om na te denken. Om na te denken over de oorlog, om na te denken over het zinloos geweld, en zich misschien nog –heel ver weg- te herinneren waarom die oorlog ook al weer begonnen is. Tja, waarom ook al weer? Maar ook om na te denken over de familie, de geliefden, de liefde...

1917 was dan ook een hevig jaar geweest. Vooral rond Ieper en Passendale was er zwaar gevochten geweest, met veel slachtoffers aan beide zijden. In het midden van de zomer hadden de Britten beslist een ultiem offensief op te zetten om de Duitsers de genadeslag toe te brengen. Maar veel had het allemaal niet uitgehaald. Noch de Britse slag om Langemark, noch de Australische aanval bij Tyne Cot, noch de slag bij Passendale behaalden het verhoopte resultaat. Integendeel, alles bleef muurvast zitten, het dorpje Passendale werd herschapen tot niet meer dan een rode vlek in de modder. In een half jaar tijd verloren beide strijdende partijen samen bijna een half miljoen soldaten, gesneuveld of gekwetst en voor het leven getekend. De terreinwinst? Amper acht kilometer. De soldaten snakten naar het einde van de oorlog. Geen haat meer, maar liefde!

En tussen al die miserie, tussen al dat geweld, gaat het leven aan beide kanten van de grens, én aan beide kanten van het front gewoon door, zo goed en zo kwaad als het maar kan. De burgers moeten verder met hun leven om te overleven, hoe moeilijk dat gezien de omstandigheden ook is. Maar de plaatselijke eeuwenoude filosofie helpt hen er door heen: “’t è wa da ’t è”, het is wat het is…

Marie is een beeldschoon, 16-jarig meisje uit het Noordfranse Armentières, een klein stadje net over de Frans-Belgische grens, niet ver van Ieper. Eén meter 70 pure schoonheid, een kort zwart kopje haar, helblauwe ogen waarin menig jonge man al verdronken is, en een gezonde boerenblos op haar volle wangen. Volle wangetjes die putjes krijgen als ze glimlacht, en die dan in perfecte harmonie komen met het kuiltje in haar kin. Sinds kort zijn ook haar borstjes tot hun volle wasdom gekomen, waardoor de “jongemannen met plannen” van de verdrinkingsdood in haar ogen zullen ontsnappen, maar hun ondergang tegemoet zullen treden in de heuvelzone die zich uitstrekt tussen de één en anderhalve meter boven Marie haar voetjes.

Naar school gaan zit er al lang niet meer in voor Marie. Niet alleen is het oorlog, maar meisjes van haar leeftijd horen niet meer op de schoolbanken. Meisjes van haar leeftijd helpen in het huishouden. Ze doen de was en de plas, ze zorgen voor de jongere broertjes en zusjes, ze koken en nog zoveel meer. Meisjes van haar leeftijd proberen een inkomen te vergaren. Ze gaan poetsen bij de rijke mensen van de stad, ze doen boodschappen voor de buren, ze gaan helpen bij de plaatselijke middenstand. Meisjes van haar leeftijd zijn geen meisjes meer, het zijn jonge vrouwen!
En zo gebeurt het ook met Marie. Ze helpt haar moeder, ze kookt, ze gaat naar de wekelijkse markt. En als goed en vroom katholiek meisje gaat ze ook elke week trouw naar de mis. Met andere woorden, Marie is een doodgewoon meisje uit Armentières, een doodgewoon meisje dat opgroeit tussen andere doodgewone meisjes, een doodgewoon meisje zoals je er zovelen vindt in Frankrijk, een doodgewoon meisje dat doet wat zowat elk 16-jarig meisje doet in 1917.

“Marie, tu veux gagner un peu d’argent pour ta famille?”
De vraag komt totaal onverwacht. Ze heeft nog maar net plaatsgenomen in de biechtstoel, als het luikje opengaat, en ze door het raster tussen haar en de biechtvader probeert te piepen om te zien wie haar zonet aansprak. Ze had verwacht dat meneer pastoor meteen met zijn litanie zou beginnen, maar in plaats daarvan hoort ze een andere stem. Een stem die ze kent, maar niet direct kan thuiswijzen.
“Wie ben je?” fluistert ze.
“Dat speelt voorlopig geen rol. Ik kan je nu niets zeggen”, antwoordt de stem onrustig. “Wat is je antwoord? Wil je graag wat extra verdienen?”
“Ik wil eerst weten wie je bent. Ik ga niet zomaar iedereen vertrouwen. Het is oorlog, weet je”.
“De pastoor vertrouw je toch ook, als hij in de biechtstoel zit?”
“Maar dat is meneer pastoor. Ik weet wie dat is, en ik weet dat ik hem kan vertrouwen”.
“Zegt een jong meisje in de fleur van haar leven”, lacht de stem stilletjes. “Weet je Marie, het is gemakkelijk verdiend geld. Denk er even over na. Ik wacht hier morgen in dezelfde stoel, op hetzelfde uur”.
“Maar..”.
Het luikje wordt abrupt dichtgeschoven...

Marie blijft onthutst achter. Door het spleetje tussen de gordijntjes van de biechtstoel vangt ze nog net een glimp op van de persoon die aan de andere kant van het rastertje had gezeten. Maar veel heeft ze er niet aan, want nog voor hij het gestoelte heeft verlaten heeft de man de kap van zijn cape al over zijn hoofd getrokken.
Wie is die man? Van waar ken ik die stem? En vooral, waarom had meneer pastoor er zo op aangedrongen dat ik nog eens kwam biechten? Hij had haar gezegd dat het al weer een hele tijd geleden was! Maar zo lang was Allerzielen nu toch ook niet geleden? En zoveel zonden had ze nu toch ook niet begaan? Toch niet dat ze zich zou kunnen herinneren. Alleen dat ene kleine dingetje. Maar dat kon meneer pastoor nu toch niet weten? En toch had hij er op gestaan dat ze dringend zou komen biechten. Als vroom katholiek meisje had ze dan maar een half uurtje eerder haar zondagse kleren aangetrokken –ze ging nooit naar de kerk in haar doordeweekse kledij uit respect voor Onze-Lieve-Heer-, had ze haar fiets uit het schuurtje naast het huis gehaald, en was ze naar de Onze-Lieve-Vrouw van het Heilig Hartkerk gefietst. De kerk had tijdens de oorlogsjaren al wat afgezien, maar stond nog altijd recht, en de zware, eikenhouten biechtstoelen met de wijnrode velours gordijnen deden nog steeds hun werk: het afzonderen van de boetedoener (de biechter) en van de verlosser (de pastoor). En net in die afzondering was ze verrast geweest. Het was niet de vrome intimiteit met meneer pastoor geworden, maar de confrontatie met een vreemde stem, met een vreemd accent. En toch kende ze die stem van ergens! En nu staat ze weer naast haar fiets op de Place de la Republique, compleet in de war. “Tu veux gagner un peu d’argent pour ta famille?”, had de stem gevraagd. Tuurlijk wilde ze dat! Het is niet dat ze rijkelijk konden leven, en elk stukje extra inkomen was meer dan welkom! “Ik wacht hier morgen in dezelfde stoel, op hetzelfde uur”, dat had hij ook gezegd. Eigenaardig. Heel eigenaardig. En verdacht. Heel verdacht. Maar aan de andere kant, meneer pastoor had deze ontmoeting geregeld, dat is zeker. Dus zal het wel oké zijn, niet? Morgen, zelfde stoel, zelfde tijd…


Geen opmerkingen:

Een reactie posten